3.1 Dogmatisch-juridische analysemethode van wet- en regelgeving
De gehanteerde methodologie berust op een klassieke dogmatisch-juridische analyse, aangevuld met een bestuursrechtelijke vergelijking van universitaire reglementen en wetgevingskaders. Binnen deze opzet vormt de bestudering van primaire rechtsbronnen, waaronder de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en het Vreemdelingenbesluit, de kern van de toetsing. Deze nationale regelgeving wordt systematisch geconfronteerd met bindende internationale verdragsverplichtingen en verdragsrechtelijke interpretaties die staten verplichten tot een actieve waarborging van fundamentele rechten binnen publieke voorzieningen [1]. Hierbij wordt specifiek gekeken naar de doorwerking van algemene mensenrechtenconventies op de institutionele handelingsvrijheid van universiteiten. Daarnaast integreert het kader een systematische analyse van universitaire onderwijs- en examenregelingen om de feitelijke vertaling van formele wetgeving naar de academische praktijk in kaart te brengen [6]. De vergelijkingscriteria richten zich op de consistentie van toelatingsnormen, de evenredigheid van rechtsbeschermingsmechanismen en de naleving van het non-discriminatiebeginsel. Door deze meervoudige bronnentriangulatie van wetgeving, rechtspraak en beleidsdocumenten ontstaat een robuust normatief toetsingsmodel zonder afhankelijk te zijn van niet-gestandaardiseerde aannames, waardoor de juridische houdbaarheid van het institutionele beleid objectief kan worden vastgesteld.