Flexibiliteit en autonomie bij student-arbeiders
In de analyse van flexibiliteit binnen het hoger onderwijs blijkt dat studenten die deelnemen aan de platformeconomie voortdurend navigeren tussen academische verplichtingen en arbeidsmarktparticipatie. Waar traditionele theoretische kaders veelal uitgaan van een strikte scheiding tussen voltijdstudie en externe arbeid, benadrukt modern onderwijskundig onderzoek juist de noodzaak van adaptieve en inclusieve onderwijsinfrastructuren (Al-Araidah et al., 2025). Deze benadering stelt dat digitale platforms en leeromgevingen structureel flexibel ingericht moeten worden om recht te doen aan de veranderende tijdsbesteding en heterogene behoeften van studenten. Tegenover deze infrastructurele invalshoek plaatsen pedagogische perspectieven het belang van innovatieve toetsingsvormen die leerervaringen buiten de collegebanken erkennen. Onderzoek naar didactische vernieuwing toont aan dat instrumenten zoals portfolio’s in economische opleidingen een brug slaan tussen praktische bekwaamheden en academische theorie (Bastos et al., 2024). Door deze twee visies te confronteren met de Nederlandse casus ontstaat het inzicht dat formele flexibiliteit op de arbeidsmarkt vraagt om een parallelle flexibilisering in het curriculum. Zonder zulke curriculaire en technologische afstemming leidt de veronderstelde autonomie van platformarbeid veeleer tot fragmentatie van het studieproces dan tot een synergie tussen werk en onderwijs.