Onderwijskwaliteit, stelselverantwoordelijkheid en instellingsautonomie
Uit de analyse van kwaliteitskaders in het hoger beroepsonderwijs blijkt dat een effectieve kwaliteitsborging primair afhangt van de interactie tussen centrale sturing en professionele instellingsautonomie. Onderzoek naar het onderwijsbestel toont aan dat er een fundamentele spanning bestaat tussen de oorspronkelijke beleidsbedoelingen van de wetgeving en de concrete praktijk van kwaliteitsbeoordelingen (Hoger Onderwijs als publieke voorziening, 2022). De toenemende onvoorspelbaarheid van politieke interventies en het gebrekkig vasthouden aan het concept van stelselverantwoordelijkheid zetten de autonomie van hogescholen onder druk, met directe nadelige gevolgen voor het interne onderwijsklimaat (Hoger Onderwijs als publieke voorziening, 2022). Om deze discrepantie te overbruggen, moeten onderwijsinstellingen zelf het initiatief nemen om duurzame kwaliteitsverbetering vorm te geven. Daarbij laat het bredere beleidskader zien dat kwaliteitsontwikkeling tevens nauw verbonden is met strategische profilering en internationalisering. Internationalisering fungeert in dit verband niet als een op zichzelf staand doel, maar dient als een wezenlijk instrument om de onderwijskwaliteit structureel te verhogen en bij te dragen aan de drie fundamentele kernfuncties van het hoger onderwijs: socialisatie, persoonsvorming en kwalificatie (Internationaliseringsagenda Hoger Onderwijs, 2018). Deze bevindingen tonen aan dat een NVAO-beoordelingskader hogescholen moet stimuleren om externe verantwoording constructief te verbinden met hun eigen pedagogische visie. Door de balans tussen stelselverantwoordelijkheid en instellingsautonomie te herstellen, ontstaat er binnen hogescholen voldoende handelingsruimte om onderwijsinnovaties duurzaam te verankeren en adequaat aan te sluiten bij veranderende maatschappelijke verwachtingen zonder het eigen onderwijskundige fundament te verliezen.