Discussie: Balans tussen internationalisering en juridisch-pedagogische randvoorwaarden
De toenemende inzet van Engels als instructietaal biedt instellingen aantoonbare voordelen op het gebied van internationale werving en voorbereiding op mondiale academische netwerken (Wilkinson, 2022). Voorstanders benadrukken dat Engelstalig onderwijs essentieel is om studenten te equiperen voor een grensoverschrijdende arbeidsmarkt en om buitenlands toptalent aan te trekken. Daar staat echter tegenover dat een categorische verschuiving naar het Engels aanzienlijke pedagogische en maatschappelijke spanningen veroorzaakt. Zo wijst juridisch onderzoek uit dat de vergaande internationalisering op gespannen voet staat met de wettelijke kaders waarin de bescherming van het Nederlands en de toegankelijkheid van het onderwijs centraal staan (Edwards, 2020). De formele beleidsintenties van universiteiten stroken niet altijd met de wettelijke waarborgen rondom de moedertaal en de werkelijke taalcompetenties van docenten en studenten. Deze discrepantie tussen beleid en praktijk sluit aan bij internationale bevindingen, waaruit blijkt dat Engelstalig mediumonderwijs zonder adequate ondersteuning en duidelijke taalkaders kan leiden tot kwaliteitsverlies en didactische frictie (Kırkgöz, 2022). Een eenzijdige focus op volledige verengelsing miskent derhalve de noodzaak om academische expressie in het Nederlands te behouden voor beroepen met een uitgesproken nationaal karakter. Een gedifferentieerd model, waarbij het Engels enkel als primaire instructietaal fungeert wanneer de discipline en de arbeidsmarkt dit nadrukkelijk vereisen, biedt bijgevolg het meest houdbare evenwicht tussen mondiale ambities en lokale verantwoordelijkheden.